
Atlasmino
Door
Uitgave 2025
Mariones Books®
Writing is my survival, Writing is my life
Ontdek de wereld van Atlasmino
Deel I van de Atlasmino Saga
Copyright
© 2025 Mario van Loon & Younes Chelaghmi
Eerste digitale editie, 2025
Uitgegeven door Mariones Books®
ISBN: 9789083620701
info@marionesbooks.nl
www.marionesbooks.nl
Mariones Books® is een gedeponeerd merk bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BOIP), beschermd onder de klassen 9, 16 en 41. Alle rechten voorbehouden.
Disclaimer
Alle personages, namen en gebeurtenissen in dit boek zijn volledig fictief.
Elke gelijkenis met bestaande personen, levend of overleden, of met werkelijke gebeurtenissen, berust op toeval.
Verwijzingen naar mythologische of spirituele figuren worden uitsluitend gebruikt als literaire symbolen en metaforen.
Dit werk is bedoeld als fictie en als een uitnodiging tot reflectie, niet als leerstelling of feitelijke weergave.
Voorwoord
Dit boek is niet ontstaan uit een enkel moment, maar uit een lange reis. Gesprekken die diepgingen, stiltes die meer zeiden dan woorden, en herinneringen die hun eigen plaats opeisten, vormden samen de fundamenten van Atlasmino.
Atlasmino is geen personage dat ver van ons afstaat. Hij is een spiegel, een symbool van zoeken en groeien. Zijn pad weerspiegelt de strijd van ieder mens: de overgang van jeugd naar volwassenheid, het gevecht tussen licht en schaduw, en de moed om een eigen weg te kiezen – ook wanneer die weg nog onbekend is.
Dit is geen traditioneel verhaal met vaste lijnen en duidelijke antwoorden. Het is een reis van lagen, waarin vragen belangrijker zijn dan zekerheden, en waarin elk hoofdstuk een uitnodiging vormt om even stil te staan.
Wij hopen dat u dit boek leest met een open hart. Niet om alles volledig te begrijpen, maar om geraakt te worden. Want Atlasmino leeft niet enkel in deze bladzijden – hij leeft in de dromen, twijfels en herinneringen van ieder van ons.
Inhoudsopgave
I — De Jeugd van Atlasmino
II — De Overgang
III — De Treinreis
Atlasmino – Opening
Dit boek is geen verzameling van losse woorden. Het is een reis die je niet buiten jezelf maakt, maar diep naar binnen. Geen pad van kilometers, maar van lagen. Geen tocht naar een verre horizon, maar naar de kern van herinnering. Atlasmino is geen held in de verte, maar een spiegel dichtbij. Zijn verhaal is een uitnodiging om stil te staan, te luisteren, en iets in jezelf te herkennen dat misschien lang verborgen bleef. Alles wat je hier leest, is bedoeld als sleutel – niet als waarheid die je moet aannemen, maar als een poort die opent naar nieuwe vragen en inzichten. Welkom op de reis van Atlasmino.
I — De Jeugd van Atlasmino
De jeugd van Atlasmino was als een rivier die steeds van bedding veranderde. Zijn familie trok van stad naar stad, waardoor hij nergens lang wortel kon schieten. Elke plek bracht nieuwe straten, andere geluiden en onbekende gezichten. Voor veel kinderen zou dat een last zijn geweest, maar hij wist er telkens iets bijzonders van te maken. In vreemde omgevingen herkende hij patronen, alsof hij instinctief begreep dat verandering zelf een leraar was.
Op school viel hij op – niet omdat hij de hardste werker was, maar omdat hij zag wat anderen ontging. Terwijl klasgenoten oefenden met rekenen of taal, merkte hij hoe het winterlicht door de ramen viel, hoe krijt een spoor van stof naliet, hoe een stem even trilde bij het voorlezen. Die opmerkzaamheid maakte hem tot een leerling die leraren niet snel vergaten.
Tijdens de pauzes veranderde de speelplaats van de Kristalval-school in een toneel. Hij hoefde niet de sterkste te zijn; hij wilde de bedenker zijn. Hij verzon spelregels, creëerde werelden waarin gewone stenen gouden munten werden. Overal waar hij keek verschenen spiegels waarin kinderen hun eigen dromen herkenden. Ze luisterden naar hem, niet omdat hij dat eiste, maar omdat zijn verbeelding ruimte schiep waarin iedereen welkom was – een natuurlijk soort leiderschap, niet dwingend maar uitnodigend.
Naast die speelse kant ontdekte hij vroeg zijn creatieve ziel. Zingen, toneelspelen, verhalen vertellen – het leek vanzelf uit hem te stromen. Zodra hij op een podium stond, hoe klein ook, verdween zijn verlegenheid. Daar, onder het zachte schijnsel van lamplicht of kaarsen, voelde hij zich thuis. Hij droomde ervan ooit een wereld te scheppen waarin mensen zich konden verliezen in verbeelding, zoals hijzelf dat deed.
Toch droeg hij in stilte een andere kant met zich mee. Uren kon hij wegzinken in gedachten, starend naar de lucht of naar een muur die voor anderen leeg leek – voor hem vensters naar onzichtbare werelden. Hij worstelde met de traagheid van het alledaagse, met de saaie opdrachten die zijn leraren gaven. Waarom, dacht hij, zou ik mijn geest gevangenzetten in cijfers en regels, terwijl mijn hoofd gevuld is met werelden die nog niemand heeft gezien?
Hij bleef een jongen van contrasten: bruisend en stil, creatief en lui, vrolijk en verlegen. Alsof twee krachten in hem woonden die elkaar beurtelings versterkten en tegenwerkten. In die spanning lag zijn bijzonderheid. Hij was nog jong, maar in hem woonde al een diepte die anderen zelden bezaten.
Misschien begreep hij het zelf nog niet, maar in dat zoeken – dat balanceren tussen licht en schaduw – lag een belofte besloten. Niet zomaar een leven, maar een bestemming die anderen ooit zou doen stilstaan, alsof zij in hem een spiegel zagen van hun eigen verborgen dromen.
II — De Overgang
De jeugd lag achter hem als een dromerig landschap dat langzaam vervaagde. Hij stond aan de rand van iets nieuws, al wist hij nog niet wat dat zou zijn. Zijn dagen voelden anders: de lucht leek lichter, de kleuren scherper. In de stilte van zijn gedachten klonk een zacht geroep dat hem naar voren trok.
Op een frisse lentedag liep hij een kleine tentoonstelling binnen. Geen imposant museum met marmeren zalen en eindeloze rijen bezoekers, maar een bescheiden ruimte vol schilderijen, maskers en beelden uit verre werelden. Voor de meesten waren het voorwerpen achter glas; voor hem waren het vensters, doorgangen naar iets onbekends.
Hij bleef staan bij een doek waarop Celestra oprees boven een vreemd landschap. Het leek te ademen, alsof het een levend wezen was dat fluisterde. Iets in dat licht herkende hem, alsof het niet alleen over het afgebeelde land scheen, maar ook in zijn eigen binnenwereld.
De anderen liepen vluchtig voorbij, maar hij bleef staan, geworteld aan de vloer. Hoe langer hij keek, hoe meer het schilderij hem omvatte. Het was geen kijken meer, maar ontvangen – een boodschap zonder woorden, een oproep zonder stem.
Vanaf die dag veranderde alles. Een stille onrust nestelde zich in hem; niet scherp of pijnlijk, maar als een zachte drang die hem vooruitduwde. Het vertrouwde verloor zijn glans. Stad, school en spelletjes voelden plots als kleren die hem te klein waren geworden.
Hij sprak er met niemand over, maar in stilte groeide een besluit. Niet langer wilde hij wachten tot het leven zich vanzelf ontvouwde. Hij wilde reizen, voorbij de grenzen kijken, ontdekken of er werkelijk een plek bestond waar hij thuishoorde.
En zo begon de overgang – stil, maar onomkeerbaar. Een innerlijke trein was vertrokken zonder eindstation. Voor hem was het de eerste stap naar een wereld groter, wijder en geheimzinniger dan hij ooit had durven dromen.
III — De Treinreis
Het eerste licht tintelde in de lucht. Hij stond op het perron, zonder muntstukken in zijn zak, zonder brood in zijn koffer, maar met een hart dat sneller klopte dan het ritme van de rails. Voor hem wachtte de trein, groot en donker, als een belofte van beweging. Hij wist dat hij er niet voor was uitgenodigd, maar iets in hem fluisterde: stap in, de reis wacht niet.
De deuren sloten achter hem met een zucht. Meteen voelde hij dat dit geen gewone rit zou worden. De stoelen roken naar stof en avontuur, de ramen weerspiegelden een onbekende wereld die voorbij zou glijden.
Hij had geen kaartje, maar wel een droom. En dromen, dacht hij, zijn soms sterker dan alle regels samen. Toch, toen hij de voetstappen van de controleur hoorde, sloeg zijn hart sneller.
De man met het petje liep de gang in — zijn blik scherp, maar ook moe van zoveel gezichten. Hij keek naar buiten en deed alsof de wolken zijn grootste zorg waren. Toen de controleur naast hem stond, vroeg hij met zachte stem om het kaartje.
Hij glimlachte ontwapenend, haalde diep adem en zei: “Het spijt me, meneer… ik heb geen kaartje. Maar ik heb wel een reden: ik volg een droom.”
De man keek hem aan, eerst streng, toen verbaasd. Een jongen zonder geld, maar met ogen die brandden als sterren – dat zag hij niet elke dag. Er viel een stilte, gevolgd door een zucht.
“Blijf maar zitten,” zei hij uiteindelijk. “Maar doe alsof je nergens bent geweest.”
Dankbaar knikte hij. Een onzichtbare deur ging open. De trein versnelde. Buiten vlogen weilanden voorbij, bomen die bogen alsof ze hem groetten, rivieren die glinsterden als vloeibaar licht.
Elke bocht bracht nieuwe gezichten: een oude vrouw die hem brood aanbood, een kind dat lachte en vroeg waar hij heen ging, een reiziger die vertelde over verre bergen.
Hij luisterde, keek, en nam alles in zich op. Geen indringer meer, maar deel van een groter geheel. De trein was niet slechts een voertuig; het was een levende rivier van verhalen, en hij dreef mee op de stroom.
Toen de avond viel en de lucht oranje kleurde, wist hij dat deze reis hem verder bracht dan een kaart ooit kon beloven.
Hij was begonnen — eindelijk echt begonnen. Het ratelen van de rails werd een melodie, en hij glimlachte. Want zelfs zonder kaartje, zonder eten, zonder zekerheid, droeg hij het kostbaarste al bij zich: het begin van zijn droom.