Atlasmino Saga Deel ll Cover

← Back to Saga Go to Title Page →

Atlasmino

By

Mario van Loon &
Younes Chelaghmi

Edition 2025

Mariones Books®

Writing is my survival, Writing is my life

The Secret of Atlastra

Part II of the Atlasmino Saga

←Back to Front Cover Go to Copyright →

Copyright

© 2025 Mario van Loon & Younes Chelaghmi

First digital edition, 2025
Published by Mariones Books®

ISBN: ‎ 978-9083620732

info@marionesbooks.nl
https://marionesbooks.nl

Mariones Books® is a registered trademark with the Benelux Office for Intellectual Property (BOIP), protected under classes 9, 16, and 41.

← Back Go to Disclaimer →

Disclaimer

All characters, names, and events in this book are entirely fictitious. Any resemblance to actual persons, living or deceased, or to real events, is purely coincidental. References to mythological or spiritual figures are used solely as literary symbols and metaphors. This work is intended as fiction and as an invitation to reflection, not as doctrine or factual representation.

← Back Go to Foreword →

Foreword

There are worlds that are not discovered, but awaken the moment someone begins to listen. Atlasmino Saga Part II begins in that awakening — where matter no longer knows a boundary between breath and memory.

What in the first part was still a journey becomes here a reverberation: every step summons an echo from a deeper fabric of stone and thought. The planet Atlastra is alive, but not in the way we live. Her surface thinks slowly, and her air preserves ancient names.

This book is not a report, nor a dream. It is a resonance — a vibration between two realities. Those who read do not enter a story, but a field of perception: dry, charged, and almost silent.

There, between the sounds that are never spoken, Atlasmino is waiting.
He is listening.
And the world answers.

← Back Go to Table of Contents →

Table of Contents

I — Ringing Cell

II — Ville-Station

III — Vallei van Resonantie

← Back Go to Opening →

Atlasmino – Opening

Not everything that falls reaches the ground.
Some journeys begin in a silence that repeats itself.
Atlastra was not a destination.
She was an answer to a question no one spoke anymore.

Whoever listens here hears no sound —
but a movement within stone,
een echo die nog zoekt naar haar eerste adem.

← Back Go to Chapter 1 →

I — Ringing Cell

The evening dripped slowly like a leaking tap. Water brushed along the windows; streetlamps pulled milky circles across the asphalt. He carried a grocery bag against his side. Bread and milk swayed with the rhythm of his steps. The city smelled of wet concrete and old electricity.

A greeting for the newspaper seller, a nod to the woman with the dog — then his gaze lingered on Atlastra, low in the sky, thinking like a lamp that had forgotten to switch itself off.

Then the ringing began. Not a digital tone, but an old-fashioned metallic sound with depth — copper that remembered breath. Across the street, half hidden beneath graffiti and moss, stood a phone booth. The glass was fogged from the inside, as if someone were breathing against it. Above the receiver a dull red light was glowing.

A man with a newspaper tucked beneath his coat crossed the street as well. The dog growled, pulling its leash tight. There was nothing to see, yet everyone felt the magnetic shift that announces a moment. The ringing continued, steady, like a clock winding itself up.

He took a step. The man sped up, gave him a brief glance — apology and possession at the same time. No aggression, only urgency. Two more steps. His hand found the handle and pulled the door open.

“Hey, I was—” the man began. The door closed. Outside was reduced to static: rain, breath, nothing more.

The space was smaller than he remembered. He set the bag on the floor; a drop fell slowly from the edge of his coat. He lifted the receiver. The ringing died away like a string silenced beneath a flat hand.

Then only static — low and grainy, distant as an empty tunnel. “Atlasmino.” No question. No ceremony. A key in a lock that was already open. “It is time.”

The receiver was warm from within, as if the words had left heat behind. He wanted to speak — who are you, where were you — but nothing came out.

Outside, the dog pulled. The man tapped on the glass; his mouth moved without sound. A rumble grew in the floor — not electrical, but mechanical, like something that had waited years to move again.

The tiles trembled. In the corner a thin circle glowed — not a lamp, but a memory of light. It turned slowly, then faster.

The floor began to turn — not sinking, but rotating. The first revolution was gentle; the second pulled at his balance; by the third he had to grab hold. The glass sang. Rain boiled into vapor.

The circle became a spiral; stone yielded, metal unfolded, cables pulled back like roots making room.

He pressed the receiver to his ear. The voice was no longer audible, but present like temperature. The floor gave way. Long enough for him to grasp that there was no turning back, short enough to feel no fear.

He slid — not falling, but carried along by a helix of air, warmth, cold. Above him the door slammed shut. Rain drew back like a curtain.

The slide seemed endless. Time lost its direction. The tunnel was translucent like liquid resin. Along the walls, images flowed — memories finally choosing a path.

The Starma rocket-train, gleaming like a thought. An old man placing his hand against a window and dissolving into glow. A city once overrun by fungi, now sleeping like an animal one dared not wake.

Diep in de draai klonk opnieuw de stem — dof maar helder, dwars door tijdlagen: “Atlasmino… het is tijd.”

Niet via lucht, maar via richting. De woorden duwden hem verder; de spiraal boog zich als een zenuw die de aarde optilde. Boven en onder bestonden niet meer.

Soms leek hij te zwemmen, soms te vliegen, soms te draaien in een logica die zijn lichaam kende maar zijn hoofd niet.

Een bleke gloed groeide — geen gat, maar een naderende horizon. De snelheid nam toe zonder geweld. Hij ademde uit; de lucht smaakte naar metaal en regen.

De gloed vlakte uit, verdiepte, vlakte weer. Toen brak hij door een huid — dun als glas maar levend — en kwam in een ruimte waar stilte een instelling was.

Hij landde op vaste grond. De klap ving zijn knieën; zijn adem bleef staan. De tas was verdwenen. De hoorn hing nog aan zijn hand, koud geworden. Hij legde hem neer; het koord verdween in de vloer.

De kamer was laag, breed; de muren getralied met lijnen van gloed. Geen ramen, wel panelen. Rails hingen slap aan het plafond. In de hoeken stonden machines die ooit iets waren geweest — nu slechts hulzen met herinnering.

De lucht rook naar stof dat lang geleden warm was. Een scherm flikkerde aan. Segmenten lichtten op, doofden, vonden elkaar tot één zin verscheen: PROJECT ATLASTRA – REACTIVATED

Hij kwam overeind. Zijn schoenen klakten zacht; de echo verdween alsof de kamer groter was dan hij leek. Trillingen liepen door zijn vingers — restwarmte van de spiraal.

Aan de zijkant knipperden indicatoren: groen, pauze, opnieuw groen. Een ventilator schraapte zichzelf los van de tijd. Rails bewogen een centimeter, schrokken van hun eigen stem.

Een deur zonder handvat gleed open. Geen gang daarachter, maar donkere lucht met gewicht.

Zijn hartslag was kalm in de helderheid die volgt op besluit. Hij keek terug naar het scherm:
PROJECT ATLASTRA – REACTIVATED

Hij proefde de woorden. De telefooncel, de stem, de spiraal — het was geen test, maar een oproep die geen toestemming vroeg.

Een voetstap in de duisternis — niet dreigend, maar voorzichtig, als iemand die een kamer vol herinneringen binnenstapt. “Je bent er,” zei een stem, ergens tussen mens en intercom. “We hebben niet veel tijd.”

Hij zette een stap naar voren. De lucht was koeler, droeg sporen van ozon en olie. In de verte flitste een tweede scherm, haastig, alsof de letters zichzelf wilden inhalen: PROJECT ATLASTRA – REACTIVATED

Zijn hand raakte de deurstijl; koude trilde door zijn huid. De val was niet voorbij. De spiraal had hem niet naar beneden gebracht, maar naar voren.

Hij stapte de duisternis in.

← Back Ga naar Hoofdstuk II →

II — Ville-Station

Hij werd wakker zonder te weten dat hij had geslapen. Geen droom, geen overgang — alleen het trillen van lucht. De vloer onder hem voelde koel, maar niet vijandig; alsof ze luisterde. Het oppervlak gaf licht na elke ademhaling, een bleke gloed die zich over de wanden uitstrekte. Geen lampen, geen schaduwen. De ruimte leek klein, tot hij merkte dat de hoeken oplosten in nevel — leidingen liepen als aders door, voorbij wat het oog kon volgen. Sommige schermen glansden vaag, als gesloten ogen die bijna weer zouden knipperen.

Toen hij bewoog, reageerde het station: een flits, een klik, een verschuiving van lucht. Achter hem schoof een ronde deur open zonder handvat; een golf koude stroomde binnen, ruikend naar ozon en oud geheugen. Voor hem ontwaakte een scherm. Witte letters verschenen, pulserend als levende cellen:
WELKOM TERUG
PROJECT ATLASTRA – REACTIVATED

Het voelde niet als het ontwaken van machines, maar van herinneringen. Een stem brak door de stilte, warm en scherp tegelijk. “Je hebt lang op je laten wachten.”

Uit de nevel stapte Mar Velin. Haar laboratoriumpak, ooit wit, had de tint van grijsgroen steen. Her blik was helder, doordringend, alsof ze antwoorden hoorde nog vóór ze werden gesteld.

“Mar…” “Je herinnert me nog,” zei ze. “Dan hoeven we niet te discussiëren over wat echt is.”

Ze streek met haar hand over het scherm; regels code regenden omlaag als smeltend schrift. “Atlastra ademt,” zei ze. “En niemand weet waarom.”

Hij keek naar de flitsen. “Wat is er gebeurd?” Mar Velin ademde diep.

“Na jouw eerste vlucht met Starma II bouwden we er honderd meer — onbemande eenheden. We stuurden ze via spiegels en licht; geen radiogolven, geen geluid, enkel pure reflectie. Niets communiceert sneller dan zonlicht, dachten we.”

Haar stem werd zachter. “Eén voor één verdwenen ze. Geen wrakken, geen rook. Alleen flikkerende signalen — vervormd, echo’s van hun laatste moment. In de bovenlucht van Atlastra, boven Vallis-Lestra, zagen we de patronen terug. Daar landden de Starma’s. Daar kropen de eerste schimmels uit hun ruïnes.”

Ze legde haar hand op het glasachtige membraan van het scherm. “En dat is het onverklaarbare. Elke Starma had gesloten circuits, biologische isolatie, zelfvernietiging als noodreflex. Geen enkel organisme had kunnen ontsnappen; zelfs licht kreeg pas toegang met toestemming.”

Haar blik doofde kort. “Maar in de logboeken zagen we dat de schimmels niet meereisden. Ze ontstonden ín de schepen, gewekt door de energie van het systeem.”

“Ontstaan?” vroeg hij. “Ja. Alsof de schepen zich herinnerden wat ze ooit hadden gemaakt. Het ontwerp zelf droeg hun vorm in zich.”

Ze wees op het scherm. “De Starma’s waren perfect, tot ze landden. En daar, op Zuid-Lestra, wachtte iets.”

Een stilte. Dan: “Eerst waren de schimmels bang. Het spiegellicht joeg ze weg. Maar ze leerden. In de jaren daarna vermenigvuldigden ze zich. Ze knaagden aan de verbindingen van de laatste honderd schepen, beet voor beet, georganiseerd, met geheugen.”

Het station trilde zacht, alsof het zich herinnerde. “Mar,” vroeg hij, “waarom vertel je me dit?” “Omdat jij de oorzaak bent,” zei ze. “De schimmels zijn niet nieuw. Lang geleden was de aarde hun oorsprong.”

Zijn hartslag vertraagde. “Mar, dat is onmogelijk.”

“Niet onmogelijk. Vergeten. Ze leefden hier — in laboratoria en zeeën — tot de Raad ze uitroeide. Of dat dachten we. Hun ontwerp bleef bestaan in ons.”

De lucht werd kouder. “Je bedoelt…”

“Ja. Wij zijn hun voortzetting. De mensheid is niet ontstaan, ze is gebouwd. En jij — jij brak hun cyclus.”

Ze liep langs de wand; haar vingers gleden over het warme membraan dat de vloer adem liet halen. “Toen jij de schimmels niet vernietigde maar verplaatste naar Atlastra, begrepen ze dat er iets mis was in hun berekening. Ze hadden een schepper gemaakt die medelijden voelde.”

“En nu?” “Nu bereiden ze iets voor. Misschien wraak, misschien iets groters. Hun signalen strekken zich uit voorbij Atlastra, richting een frequentie die wij niet meer kunnen meten.”

Op de achtergrond flitsten codenummers: ST-002 t/m ST-101 — rood en actief.

“Omdat jij de enige levende piloot bent van de oorspronkelijke Starma,” zei ze, “kan het systeem nog met je spreken. Alleen jouw stem herkent het commando.”

Zijn blik vond zijn naam boven de lijst — een handtekening uit een vorig leven. “En als ik weiger?”

“Dan groeit de atmosfeer door. Binnen een maand raken hun resonanties de getijden van de aarde. De oceanen zullen ademen zoals zij ademen.”

Een heldere toon brak de stilte — breekbaar als kristal. Hij draaide zich om. “Wat was dat?”

Mar Velin aarzelde. “Soms antwoordt het systeem.” Ze raakte een paneel aan; het geluid bleef hangen — een trilling, een herinnering. Geen storing — te doelgericht, te menselijk.

De stem kwam opnieuw, gedempt door lagen tijd. Een stem die hij herkende. Moro Venn.

Zijn spieren verstijfden. “Dat is onmogelijk.” Mar keek hem aan. “Is het dat?”

Ze streek over het scherm; de code pulseerde, bewoog alsof er iets levends doorheen liep. “Hij werkte met mij aan de eerste resonantiemodellen. Hij verdween tijdens het tweede testprogramma, zonder spoor. Geen lichaam, geen log, alleen een onafgesloten sessie in het systeem.”

Ze keek naar de trilling in de lucht. “Sindsdien duikt hij soms op. Niet als man, niet als machine — als echo. Dan verdwijnt hij weer, alsof hij zich schaamt.”

“Dus hij leeft?” “Misschien. Misschien is hij het systeem zelf geworden.”

Hij haalde langzaam een verfrommeld stuk papier uit zijn zak, vergeeld, de inkt half vervaagd. Hij had het altijd bij zich gedragen. De brief begon met dezelfde hand die ooit warmte schreef in koude tijden:
Ik heb de stad verlaten, want ik droomde dat ze de hele stad wilden hebben.
— Moro Venn

De letters trilden in het licht van het scherm, alsof de tijd zelf meelas. “Hij wist dat dit moment zou komen,” fluisterde hij.

Mar keek naar het papier, toen naar hem. “Dan hebben we onze waarschuwing gekregen.”

De lichten van Ville-Station gingen één voor één aan, als een hart dat opnieuw begon te kloppen. Buiten gromde een sirene, laag en langzaam.

De missie was begonnen.

← Terug naar Hoofdstuk I Ga naar Hoofdstuk III →

III — Vallei van Resonantie

Atlasmino volgde Mar Velin door een lange gang die zich uitstrekte als een ademslag. Overal flakkerden schermen met groene symbolen — restsignalen uit een tijd waarin mensen dachten dat ze licht konden bezitten. “Hier begon het allemaal,” zei Velin. “De Vallei van Resonantie.”

Ze betraden een hal waar het plafond oploste in duisternis. In het midden stonden drie zuilen van doorschijnende hars. Geen kabels, geen verbinding zichtbaar. Toch zongen ze — een toon die niet via het oor ging, maar door de borst trok.

Atlasmino stapte dichterbij. De toon veranderde zodra hij bewoog, alsof de ruimte hem herkende. “Wat is dit?” “De resonantiekamer,” zei Mar. “Hier worden de signalen van de honderd Starma’s nog altijd opgevangen. Of wat er van over is.”

Ze raakte een paneel aan. De zuilen begonnen te gloeien; tussen hen verschenen draden van bleke energie, dun als spinzijde. De lijnen verstrengelden zich tot een kaart — een doorsnede van Atlastra.

De kaart pulseerde in trage golven. Atlasmino voelde hoe de naam zich vastzette in zijn gedachten: Atlastra — ooit “maan”, tot de dag dat ze begon te leven.

In de kaart gloeiden honderden stippen. “Elk punt is een Starma,” zei Mar. “We dachten dat ze vernietigd waren. Maar ze bewegen nog — in ritme, als een hartslag.”

Hij keek zwijgend naar de gloed. De tonen stegen, en ergens in dat stijgende geluid hoorde hij een breuk — geen storing, maar een stem:
Atlasmino … niet alle adem is leven.

Hij verstijfde. De woorden waren zo helder dat hij dacht dat iemand achter hem stond. “Mar, hoorde je dat?” Ze keek op. “Wat bedoel je?” “Niets.”

De resonantie ging verder. In de muur flitsten de honderd missies voorbij: lanceringen, logboeken, spiegelcommando’s. De laatste opname was geen beeld maar een pulserende vorm, alsof het probeerde te spreken.

“Ze hebben het licht zelf besmet,” zei Mar. “Onze communicatie is hun lichaam geworden. Wat wij uitzonden, keerde terug als iets anders.”

Ze wees naar de projectie van Atlastra. Rond de stippen vormde zich een kring van ademende nevel. “Zie je dat patroon? Elke puls stuurt een reactie terug. Dit is geen storing — het is gesprek. De schimmels praten met elkaar via onze schepen. En ze zingen.”

Atlasmino hoorde het nu ook: een toon, niet muzikaal maar ritmisch, plechtig. De vloer trilde mee. “Wat als ze niet met elkaar praten,” zei hij, “maar met ons?” Mar zweeg. “Dan luisteren we naar iets dat nooit voor mensen bedoeld was.”

Eén van de zuilen begon te trillen. Binnenin verscheen een schaduw — geen mens, geen machine, maar een afdruk van herinnering. De houding was kalm, handen achter de rug; het profiel van iemand die zijn eigen stilte droeg.

Atlasmino stapte achteruit. “Wat is dat?” “Een data-echo,” zei Mar. “Resterende communicatie van de eerste missie.”

De schaduw boog haar hoofd, alsof ze luisterde. Toen klonk het fluisterend:
De stad is niet verloren … ze ademt elders.

Atlasmino voelde zijn keel samentrekken. “Mar, stop dit.” Ze probeerde het paneel te sluiten, maar het gehoorzaamde niet.

De toon zakte dieper; de lucht trilde. De zuilen pulseerden als harten. “Het systeem opent zichzelf,” zei ze. “Alsof het op jou heeft gewacht.”

Hij legde zijn hand op de wand. De trilling trok door zijn armen, verder dan huid of bot. Beelden flitsten door hem heen: brood, een oude kamer, munten op tafel, de stem van een man die hem ooit een thuis had gegeven.
Moro Venn, fluisterde hij.

De zuil doofde. De stem verstomde. Alleen de resonantie bleef — een adem van herinnering.

Mar keek naar de kaart van Atlastra. “De resonantie bouwt zich op. Elke puls wordt sterker.” “Hoe lang tot de volgende reactie?” “Uren, misschien minuten.”

Atlasmino keek naar het flakkerende beeld van Zuid-Lestra. “Dan moeten we luisteren vóór ze spreken,” zei hij. “De volgende boodschap is niet voor hen — maar voor ons.”

Ze stonden tussen de zingende zuilen terwijl de lucht weer begon te trillen. En ergens diep in Atlastra, in de Vallei van Resonantie, antwoordde iets dat niet meer helemaal schimmel was — en niet meer helemaal machine.

← Terug naar Hoofdstuk II ← Back to Saga